Communicatievraag met een B? Raadpleeg de HSTotaal-woordenlijst!

HSTotaal woordenlijst

Grafische, creatieve en communicatie-begrippen

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

B

backbone, de hoofdverbinding van het internet, letterlijk de ruggengraat.

bagetteren, het ter versteviging aanbrengen van plastic of metalen strips aan de boven- en onderzijde van een poster. Als de baget aan de bovenzijde is voorzien van een uitsparing of lipje kan de poster daaraan worden opgehangen.

bakfris, overnight-inkt, drukinkt die niet uit de inktbak van de drukpers hoeft te worden gehaald om te voorkomen dat deze ‘s nachts in de bak aandroogt, maar een nachtje kan blijven staan zodat de drukklus de volgende ochtend direct opgestart kan worden. De inktrollen van de drukpers dienen wel schoongemaakt te worden.

bankpost, hard, houtvrij en duurzaam papier, veel gebruikt voor briefpapier, ook met de hand uitstekend beschrijfbaar.

basiselementen, de belangrijkste kenmerken van een grafische huisstijl, zoals het vignet, het kleurprogramma en letterkeuze. De toepassingen - zoals visitekaartjes, gevelbelettering en bedrijfskleding - worden hier niet mee bedoeld.

basisstramien, stramien, een patroon van horizontale en verticale lijnen die de posities van typografie en beeld bepaalt en waarop vormgeving voor drukwerk plaatsvindt, met name boek- of tijdschriftpagina‘s - omvangrijke drukwerkproducties met veel regelmatig terugkerende vormgevingselementen. Ondernemingen en organisaties maken graag gebruik van stramienen bij de vormgeving van uiteenlopende publicaties. Op het basisstramien kunnen de layouts voor alle uitingen met hetzelfde eindformaat worden vormgegeven. Elk formaat kent een specifiek stramien. Het stramien is een belangrijk hulpmiddel in het ordeningsproces van vormgeving om veel en regelmatig voorkomende elementen vaste posities te geven en daardoor ordening, rust, toegankelijkheid en herkenning, en een vlotte en efficiënte werkwijze te bevorderen bij de totstandkoming van communicatiemiddelen. Voordat gestart kan worden met de specifieke paginalayout met het stramien worden ontworpen. Bij het ontwerpen van het stramien moet rekening worden gehouden dat meerdere pagina-indelingen mogelijk moeten zijn waardoor de publicatie verrassend en levendig blijft. Uiteraard is dat afhankelijk van de toepassing van het communicatiemiddel (een wervingsbrochure heeft een heel andere vormgevingsdynamiek dan een postzegelcatalogus).

bandbreedte, de capaciteit of verzendsnelheid van een netwerk- of internetverbinding; hoeveel data per seconde verstuurd kan worden.

banner, uiting van webvertising, een meestal rechthoekige afbeelding met een reclameboodschap. De banner kent meerdere verschijningen, zoals videobanner, halfbanner, fullbanner, large rectangle, skyscraper, leaderboard, button en floater.

barietpapier, papier met een zeer gesloten oppervlak - voorzien van een laagje bariumsulfaat - waarop een zogenaamde ‘scherpe afdruk‘ wordt gemaakt van hoogdruk loodzetsel, die vervolgens wordt gereproduceerd op negatieffilm als halffabrikaat voor de lithografie. Het is een techniek die vanaf 1960 als overgang functioneerde tussen loodzetsel (hoogdruk) en fotografisch zetten (vlakdruk, offset).

BBC, Blind Carbon Copy, ofwel blinde kopie van een mailbericht. Ontvangers van een bbc zien een kopie van het mailbericht, maar de geadresseerde weet dit niet.

beeldmerk, de naam van een organisatie of bedrijf - zelfs een product of dienst - die is vormgegeven in uitsluitend een beeldende vorm, en niet in letters. In tegenstelling tot een woordmerk of logo waarbij de naam van de organisatie in leesbare tekst is vormgegeven. Voorbeelden van beeldmerken zijn de panda van het Wereld Natuur Fonds en de appel van Apple.

beeldplaat, een vinding van Philips uit 1974, een opslagmedium voor beeld en geluid, wordt met een laserstraal op een kunststof schijf ter grootte van een LP aangebracht en afgespeeld. Tot 1988 in productie.

bebording, visueel hulpmiddel bij bewegwijzering om de weg te vinden, te navigeren, inclusief hulpmiddelen (pictogrammen, pijlen, kleuren).

Beek, Van Beek Design Supplies, Van Beek Arts Supplies, Van Beek Digital Images, sinds 1895 leverancier van een uitgebreid assortiment materialen en gereedschappen voor grafisch ontwerpers, werktekenaars, fotografen, reclamemakers en kunstenaars, met ontwerpmaterialen, tekenmaterialen en tekengereedschap, papier, spuitbussen met verf en lijm, kantoorartikelen, DTP supplies, presentatiematerialen en lijsten, schildersdoeken, penselen en olie- en acrylverf. In de 70-er en 80-er jaren hofleverancier van de grote Amsterdamse reclame- en ontwerpbureaus van onder andere Pantone-markers, markerbloks en Letraset- en Mecanorma afwrijfletters. De laatste jaren levert Van Beek ook royalty free images, computersupplies, printers en elektronica.

beeldcorrectie, aanpassingen in de voorstelling - bijvoorbeeld het verwijderen, verplaatsen, vergroten, verkleinen, spiegelen van delen uit het beeld, van een foto, een reproductie, een drukvorm of een digitaal bestand, ter correctie van tekortkomingen tijdens de fotografie, het reproductieproces op de camera of in de scanner.

beeldschermopmaak, een computergestuurde techniek voor het compleet samenstellen van pagina‘s uit tekst en beeld, voor kranten, tijdschriften en brochures.

beginkapitaal, de eerste letter van een woord of zin is een hoofdletter, de rest een kleine letter (onderkast).

beletselteken, leesteken ... dat aangeeft dat een woord is weggelaten of dat de beschrijving van een gedachte niet wordt voltooid en dat de lezer in de gelegenheid is het ontbrekende zelf aan te vullen.

below the line, direct marketingactiviteiten, zoals geadresseerde brievenmailings en e-mailings met een specifieke boodschap gericht op een specifieke doelgroep en met een specifiek korte termijn doel. Naast below the line kennen we above the line, marketingactiviteiten met een niet-specifiek doel, zoals massacommunicatie.

berekeningsmethode, een methode die is bedoeld om bij boektypografie tot een Gulden Snede te komen waarbij de grootte en de verhouding van de zetspiegel, en de positie van de zetspiegel op de bladspiegel in een harmonische verhouding is gebracht. Daarbij wordt uitgegaan van een bladformaat met een verhouding 3 : 5 of 5 : 8. De verhouding van paginahoogte en -breedte wordt met een enkele diagonaal vastgesteld. Vervolgens wordt het overblijvende wit in de breedte verdeeld in de verhouding 3 (rug) : 5 (snijwit) en in de hoogte als 5 (kopwit) : 8 (staartwit). Naast deze methode zijn er nog twee methodes: de diagonaalmethode en de methode Van de Graaf.

bewegwijzering, visuele hulpmiddelen om de weg te vinden, bebording inclusief hulpmiddelen (pictogrammen, pijlen, kleuren) voor geleiding van bezoekersstromen in en buiten gebouwen, op de weg.

bewijsnummer, bewijsexemplaar, een exemplaar van het medium (krant, tijdschrift, vakblad) waarin een advertentie is geplaatst en bedoeld als bewijs naar de opdrachtgever.

biegen, een handeling in de boekbinderij, het rondzetten van de boekband, voordat het boekblok erin wordt gezet.

bijbeldruk, zeer dun, houtvrij , ondoorzichtig en sterk papier, maximaal 40 gram per m2, dundrukpapier voor bijbels, vanwege het grote aantal pagina‘s en de compacte omvang.

biljetletter, zeer grote houten hoogdrukletter die wordt gebruikt voor het zetten van teksten voor affiches.

billboard, een vorm van buitenreclame, een standaard reclamebord van 2,5 x 3,5 meter, zo‘n 8 m2, worden geplaatst langs doorgaande wegen, drukke verkeersaders, bij op- en afritten en kantoorparken.

binden, strikt genomen het met garen aan elkaar hechten van meerdere losse drukvellen tot bijvoorbeeld een boek of brochure.

binderij, productieplaats in de grafische industrie, een locatie waar plano vellen drukwerk tot een eindproduct worden afgewerkt - zoals boeken en brochures, door o.a. op maat snijden, vouwen, brocheren, frezen, nieten en naaien, en in de band lijmen.

binnenwerk, hiermee wordt niet het omslag, maar de binnenpagina‘s bedoeld van een krant, brochure of boek.

bit, ‘binary digit‘, een digitale eenheid met de waarde nul of één. Het meervoud is ‘bits‘. Duizend bits vormen een kB. Duizend kB is een Megabite (mB). Met bits wordt bijvoorbeeld de omvang van digitale foto‘s en de opslag op computers aangeduid.

bitmap, kleine eenheden (punten) waaruit zwart/wit- of kleurenafbeelding is opgebouwd.

black, K (key), de kleur zwart van drukinkt in het drukproces van vierkleurendrukwerk (full color, FC, CMYK). Naast zwart zijn er drie andere kleuren bij vierkleurendruk: cyaan (blauw), magenta (rood) en yellow (geel). Zwart wordt key genoemd (K) vanwege de sleutelrol van zwart in de doortekening van de afbeelding; zonder zwart ontbreekt het aan details en zeggingskracht.

blacklight inkt, ultraviolette straling, zeefdrukinkt waarvan de afdruk oplicht onder een blacklight lamp, wordt toegepast op T-shirts en tickets, maar ook voor beveiligingsdoeleinden op waardepapieren, parkeerkaarten, loten, entreebewijzen.

blad, een vel papier met twee zijden, twee pagina‘s, één aan de voorzijde van het blad - pagina 1, een aan de achterzijde - pagina 2.

bladspiegel, het beeld - de spiegel - van het blad, de plaats die het drukwerk inneemt op het eindformaat. Het beeld wordt bepaald door de grootte en verhouding van het eindformaat, de grootte en positie van de zetspiegel, de grootte en verhouding van de marges en de wijze waarop de witmarges worden gebruikt bij aflopend drukwerk.

blinddruk, blindpreeg, preegdruk, prägen, drukken zonder inkt maar met een hoogdrukvorm (stempel) die grote kracht op het papier uitoefent en een opliggend of diepliggend effect geeft. Een stempelvorm die aan de voorzijde van het papier geperst wordt is een diep reliëf, debossing. Bij het gebruik van twee stempels - een negatieve (patrijs) aan de voorzijde en positieve contravorm (matrijs) aan de achterzijde van het papier - ontstaat een opliggend effect, een hoog reliëf, embossing.

blindlopen, een ongewenst verschijnsel op de offsetpers, het geleidelijk verminderen van de zichtbare afdruk tijdens het drukken, doordat de drukkende delen op de offsetplaat vochtgevoelig zijn geworden en geen inkt meer aannemen. Een ander verschijnsel is kaallopen, waarbij de drukkende delen van een offsetplaat zijn afgesleten en geen inkt meer aannemen.

blindstempel, metalen negatieve stempelvorm waarmee een blinddruk (preegdruk) wordt aangebracht.

blisteren, een ongewenst technisch verschijnsel in de drukkerij, het ontstaan van warmteblaren aan beide zijden van het papier vanwege een te hoge temperatuur, te lage perssnelheid of verkeerde inkten, veroorzaakt door opgesloten vocht dat verdampt als het papier door de droogsectie van een rotatiepers wordt gevoerd.

blokboek, de eerste vorm van het gedrukte boek (15e eeuw), waarbij beeld en tekst als één geheel uit een houten blok worden gesneden, enkelzijdig gedrukt op papier dat daarna ruggelings tegen een ander gedrukt blad wordt geplakt. Al in de 7e en 8e eeuw werden in China en Korea karakters gedrukt, maar wellicht is de techniek nog veel ouder, mogelijk al tweeduizend jaar. Het blokboek is de voorloper van een veel kostbaarder techniek, het drukken met losse letters. Pas aan het einde van de 14e eeuw - 1390 - komt de blokdruk naar Europa en worden op eenvoudige wijze speelkaarten en prenten gedrukt. Spoedig daarna in Brugge, Brussel, Haarlem en Utrecht, de eerste prenten in 1418, de eerste blokboeken in 1430. Al voor 1450 wordt het drukken met losse letters uitgevonden en wordt de blokdruk alleen nog gebruikt voor het drukken van afbeeldingen. Aan het einde van de 15e eeuw verdwijnt de blokdruk en is het drukken met losse metalen letters breed geïntroduceerd.

blokvorm, tekstkolommen waarvan de voor- en achterzijden een rechte kantlijn hebben. Het restwit aan het einde van de regel wordt weggewerkt door het woordwit te vergroten totdat de regel de gewenste breedte heeft. Het woordwit krijgt hierdoor in de verschillende regels een wisselende breedte, dat bij smalle kolommen een onrustig, storend effect heeft op de leesbaarheid.

BNO, Beroepsvereniging van Nederlandse Ontwerpers. De BNO (tot 1988: GVN) is in 1996 ontstaan uit een samenvoeging van bNO (beroepsvereniging Nederlandse Ontwerpers), Kring Industrieel Ontwerpers (KIO), de vereniging van industrieel ontwerpbureaus (KIO-branche), de vereniging van Edelsmeden en Sieraadontwerpers (VES) en de Nederlandse Illustratoren Club (NIC).

boek, een boekblok - een hoeveelheid pagina‘s met tekst en/of beeld - dat is samengesteld uit een aantal katernen, dat wordt omsloten door een harde of slappe band - hardcover of paperback.

boekblok, het binnenwerk van een boek, de gevouwen, vergaarde, genaaide en schoongesneden vellen van een boek, zonder omslag.

boekdecoratie, machinale maar ook handmatig uitgevoerde bewerkingen en aangebrachte versieringen in de boekbinderij van de boekband en het boekblok, waaronder: snedenversiering, snedevergulden (goud op snee), snedeverven, snedemarmering, ciselering, kapitaalbandjes, leeslinten, klaviertjes (een soort bladwijzers), versierde en gemarmerde dek- en schutbladen, het beplakken met leer- en linnensoorten, sluitwerk en beslag, drukkersmerken, initialen, lettertypen, watermerken en illustraties.

boekdruk, boekdruksysteem, hoogdruk, hoogdrukprocedé, waarbij de drukkende delen verhoogd liggen en de niet-drukkende delen lager liggen en de inkt, aangebracht op de verhoogde delen, met grote kracht op papier wordt gedrukt zodat de inkt daarop achterblijft. Hoogdruk is herkenbaar aan de grote kracht die de drukvorm heeft uitgeoefend op het papier en die aan de achterzijde als doordruk - zogenaamde moet - zichtbaar kan zijn. Ook is de uitgeoefende kracht zichtbaar aan de drukletter; de inkt is als het ware naar de rand van de letter weggedrukt - een zogenaamde kraalrand is zichtbaar. De omschakeling van het zetten met loden letters naar fotografisch zetten en van hoogdruk naar offsetdruk, betekende vanaf 1960 het begin van het einde van de hoogdruk in de grafische industrie. Hoogdruk is tot de komst van vlakdruk - offset - zo rond 1960, de druktechniek waarin vrijwel al het drukwerk in grote oplagen werd vervaardigd. Vooral ook boeken. Hoogdruk wordt daarom vaak boekdruk genoemd, terwijl het drukken van boeken één van de toepassingen is bij hoogdruk en niet een synoniem.

boekdrukker, een grafische werker in een boekdrukkerij die met een boekdrukpers afdrukken maak van hoogdrukzetsel. In tegenstelling tot een offsetdrukker, die papier bedrukt met een offsetplaat op een offsetpers.

boekdrukkerij, is een drukkerij waar men boeken drukt, of een drukkerij waar men werkt volgens het  boekdruksysteem (hoogdruk).

boekdrukkunst, de kunst van het vermenigvuldigen van teksten op mechanische wijze, het tot stand brengen van het gedrukte boek. Al in de 7e en 8e eeuw werden in China en Korea boeken gedrukt waarbij tekst en afbeeldingen uit één blok werden gesneden. Het oudst gedrukte boek op papier is de Diamantsutra, gedrukt in 868 na Christus in China. Drie eeuwen later ontwikkelden de Chinezen een systeem met losse letters, aanvankelijk van aardewerk, later van hout, daarna van tin. Het boekblok is in feite een houtsnede, een vorm van hoogdruktechniek, waarbij met een beitel van een blok hout de delen worden weggesneden die niet gedrukt worden. Hierna wordt het blok ingeïnkt en met de hand of op een pers afgedrukt. Het is een techniek die door de kruisvaarders vanuit het Oosten is meegenomen naar Europa. Aangenomen wordt dat het drukken met losse letters in 1439 is uitgevonden door de Duitse edelsmid Johannes Gensfleisch zum Gutenberg. Hoewel het idee bestaat dat de uitvinding een geleidelijk proces is geweest dat in meerdere steden in Europa plaatsvond, maar dat Gutenberg als eerste allerlei bestaande technieken combineerde tot een nieuw drukproces; het begin van een mediarevolutie. Gutenberg is strikt genomen dus niet de uitvinder van de boekdrukkunst, maar van een techniek om een drukvorm uit losse letters samen te stellen die na het drukken uiteen wordt genomen om de losse letters opnieuw te gebruiken voor een volgende drukopdracht. Als uitvinder wordt ook de Haarlemmer Lourens Janszoon Coster genoemd, maar het laatste restant van bewijs is een onnauwkeurig overgeleverd gerucht waarbij Gutenberg als knecht zou hebben gewerkt bij Coster en de door Coster uitgevonden primitieve techniek van lettergieten naar Duitsland zou hebben meegenomen, in feite gestolen. Om de betekenis van Coster nog wat aan te versterken heeft men lange tijd een aantal ongedateerde en niet gelokaliseerde drukken aan Coster toegerekend, de oudste drukken uit de toenmalige Nederlanden die met losse letters zijn gedrukt. Ze dateren uit de periode 1466-1479. De Middelnederlandse Spieghel Der Menscheliker Behoudenesse en een aantal schoolboekjes is in deze periode gedrukt. Het staat inmiddels wel vast dat deze vroege drukken - incunabelen of wiegendrukken - niet zijn vervaardigd door de Haarlemse Laurens Janszoon Coster, maar komen uit de werkplaatsen van onder anderen Nicolaus Ketelaer en Gherardus de Leempt in Utrecht in 1473. De Costeriana - zoals deze vroege drukken aanvankelijk werden genoemd - maakten na een langdurige discussie over de wetenschappelijke houdbaarheid van Coster als uitvinder van de boekdrukkunst, lange tijd onderdeel uit van de vurige wens naar nationale eenheid en trots om na het verlies van België en de economische crisis erna het zelfvertrouwen van de Nederlanden te versterken met grote herdenkingen van nationale helden en geleerden en verrezen er standbeelden en gedenktekens met feesten er omheen. Zo ging men midden 19e eeuw ook om met de Haarlemse uitvinder van de boekdrukkunst die had laten zien waar een klein land groot in kon zijn. Begin 20e eeuw deed Charles Enschedé, directeur van de lettergieterij van Johan Enschedé & Zonen uit Haarlem, onderzoek naar de lettergiettechniek van Coster, voor zover die uit de Costeriana viel af te leiden. Het onderzoek bracht Coster niet dichterbij zijn heldendaad omdat er al te veel wetenschappelijke argumenten tegen Coster waren. De Duitser Zedler reageerde in 1921 op het onderzoek van Enschedé met het betoog dat Coster loden letters zou hebben gegoten door houten stempels in hard zand te drukken en deze als matrijzen te gebruiken, overeenkomstig de legende waarbij Coster in de Haarlemmerhout een stukje beukenschors in de vorm van een letter sneed dat op de grond liet vallen waarbij een afdruk in het zand achterbleef. Vervolgens zou Gutenberg deze primitieve techniek hebben meegenomen naar Duitsland. Gutenberg was opgeleid als edelsmid en experimenteerde al voor 1439 met het drukken van boeken. Met zijn kennis van metaalbewerking combineerde hij enkele bestaande technieken zodat hij staalstempels maakte om  kopermatrijzen te slaan, gietvormen ontwikkelde, een goede loodlegering vond en een rek (zethaak) om regels te kunnen zetten waarmee een drukvorm werd samengesteld. De uitvinding was een enorme sprong voorwaarts: een flinke kwaliteitsverbetering, verlaging van de kosten, versnelling aan de productie en de ruimere verspreiding van informatie. Mogelijk in 1445 drukt Gutenberg zijn eerste boeken, maar daar is geen bewijs van, geen stukken met zijn naam erop, of drukwerken zonder jaartal. Zijn topstuk was de zogenaamde 42-regelige Gutenbergbijbel, die uit 643 bladen bestond en gedrukt is in een oplage van 200 stuks op perkament en in 1455 gereed is gekomen. Het drukken was in die tijd een extreem arbeidsintensief werk. Papier werd met de hand geschept, vel voor vel. Letters werden met de hand gegoten, door ze eerst als patrijs in ijzer te snijden, in koper tot matrijs te slaan en in lood tot letter te gieten. Inkt werd dagelijks aangemaakt in een beperkte hoeveelheid. Boeken werden vel voor vel gedrukt op een houten handpers en naderhand met de hand voorzien van initialen en illustraties. Gutenberg gebruikte als eerste een drukpers die uit een wijnpers was ontwikkeld - een principe dat ook werd gebruikt bij de papierproductie - en drukte met oliehoudende drukinkt. De productie van drukwerk en daarmee de verspreiding van informatie ontwikkelde zich in Europa dankzij deze uitvindingen explosief. Rond 1500 hebben veel grote steden in Europa wel een of meerdere drukkerijen. De boekdrukkunst wordt gezien als mogelijk de meest ingrijpende uitvinding in onze geschiedenis.

boekdrukpers, een productiemachine - aanvankelijk een handbediend houten werktuig - voor het vervaardigen van afdrukken van hoogdrukvormen, waarbij drukinkt, aangebracht op de verhoogde delen van een drukvorm, met kracht op papier wordt gedrukt waardoor de inkt daarop achterblijft. De eerste boekdrukpers werd ontwikkeld door Johannes Gutenberg, de uitvinder van de losse lettertechniek - de boekdrukkunst. Gutenberg was geniaal in het combineren van reeds bestaande technieken tot nieuwe productieprocessen. Zo was het gieten van letters niet geheel nieuw; klokkengieterijen voorzagen hun gietstukken vaak al van korte teksten - losse letters die in regels op het gietwerk werden aangebracht. Ook boekbinders verfraaiden hun boekbanden met teksten die er met metalen stempels werden ingedrukt. Gutenberg experimenteerde ook met op olie gebaseerde inkt om die geschikt te maken voor het hoogdrukprocedé. De Gutenberg-pers die hij ontwikkelde was gebaseerd op het principe van een wijnpers, vergelijkbaar met de pers die werd ingezet bij de productie van papier om het water uit de pasgeschepte vellen te persen, een techniek die al ruim een eeuw bekend was. Het model bestond uit een horizontale inrichting (slede met kar) waarop de drukvorm werd geplaatst en twee zware verticale stijlen aan weerszijden van de slede die aan de bovenzijde bijeen werden gehouden door een ijzeren juk, het galgewerk. Tussen de stijlen bevond zich een verticaal spilmechanisme met draaischroef waaraan een horizontale drukboom (spindel) was bevestigd die met een draai de degel - een vlakke drukplaat - aan de onderzijde van de spil, verticaal naar beneden bracht en grote druk uitoefende op de drukvorm. Deze hoogdrukvorm werd door de drukker middels met leer beklede drukballen - tampons - van inkt voorzien, waarop een vel papier werd geplaatst dat in een opklapbaar raam op zijn plaats werd gehouden. Vijftig jaar nadat Gutenberg de losse lettertechniek en de boekdrukkunst had uitgevonden, stonden dergelijke drukpersen in meer dan honderd Europese steden. Zo had de drukkerij van Christoffel Plantijn in Antwerpen zestien drukpersen staan waaraan 55 ambachtslieden werkten; een van de grootste boekdrukkerijen van Europa. Tussen 1500 en 1800 is deze techniek onveranderd gebleven; de techniek van de boekdrukpers van Gutenberg heeft zich kunnen handhaven en heeft geen grote veranderingen ondergaan; het principe, de snelheid en het formaat van het drukoppervlak is in die drie eeuwen vrijwel gelijk gebleven. Onder anderen de Amsterdamse timmerman Arend Smit bouwde met veel vakmanschap in de eerste helft van de achttiende eeuw stabiele boekdrukpersen volgens dit nogal gecompliceerde principe. Het was pas rond 1800 dat Charles Lord Stanhope - een Engels graaf en wetenschapper - het houten principe van de Gutenbergpers verliet en een geheel uit ijzer opgetrokken drukpers ontwierp, een ijzeren constructie van hefbomen en contragewichten waarmee de drukkracht en stabiliteit enorm toenam. De Stanhope-pers was nog steeds gebouwd volgens het principe van de degelpers van Gutenberg - een horizontaal fundament met drukvorm en een verticale drukbeweging - maar kon in één keer een veel groter formaat bedrukken in een grotere oplage: maximaal 250 afdrukken per uur. Vanaf 1820 is de Stanhope-pers op grote schaal geproduceerd, maar het waren de opvolgers van de Stanhope-pers die afscheid namen van de degel. De Duitse drukker Frederick Koenig en werktuigkundige Andreas Bauer wijzigden het principe op twee punten fundamenteel en ontwikkelden in 1811 een zogenaamde snelpers. Zij gebruikten stoomkracht voor het besturen van de machine en vervingen het vlakke drukfundament - de degel - door de rotatiebeweging van cilinders. Al het handwerk aan het drukproces werd met deze machine gemechaniseerd, op het inleggen en het uitnemen van de drukvellen na. Toch lag de productie van deze pers op de ongekende snelheid van 800 afdrukken per uur. Op basis van dit succes betrok de krant The London Times in 1814 van Koenig & Bauer een op stoom aangedreven snelpers met twee ronddraaiende drukcilinders, goed voor 1100 afdrukken schoon- en weerdruk per uur! Op basis van deze innovatie ontwikkelde de Engelse ingenieurs Applegath en Cowper, ook voor The Times, een snelpers met vier drukcilinders die 4200 afdrukken per uur kon maken en 20 jaar later, in 1848, werd de krant gedrukt op een pers met acht drukcilinders. Verdere uitbreiding van het aantal cilinders was praktisch vrijwel onuitvoerbaar vanwege de grote heen-en-weer bewegende vormfundamenten. Al in 1790 patenteerde de Engelsman William Nicholson een ontwerp van een pers met zowel druk- als vormcilinders, maar hij had geen oplossing voor het rondzetten van de vlakke drukvormen. Uiteindelijk bracht de door Firmin Didot en Charles Stanhope bedacht stereotype een oplossing: van vlakke drukvormen werden matrijzen gemaakt die werden rondgezet en gegoten en tegen een cilinder geplaatst. Aanvankelijk werden stereotypen gemaakt in zand, later in gips om tegen de tweede helft van de 19e eeuw de definitieve oplossing te vinden in taai en buigzaam karton. Het drukken met vlakke hoogdrukvormen die waren opgebouwd uit losse elementen was niet meer nodig; op de nieuwe cilinderpersen was er voor elk te drukken krantenpagina een loden stereotype die om de vormcilinder werd gemonteerd. De eerste vellen-rotatiepers werd in 1846 in Amerika gebouwd, maar al vanaf 1870 kwamen in Europa rotatiepersen op de markt waarmee papier op rollen papier werd bedrukt die pas na het drukken in vellen werden gesneden. De productiesnelheid werd hiermee enorm opgevoerd; de bij The Times geplaatste rotatiepersen bedrukten 12.000 krantenpagina‘s schoon- en weerdruk per uur. Vanaf dat moment vond de ontwikkeling van drukpersen plaats langs drie lijnen. Voor het drukken van kranten en tijdschriften werd de rotatiepers ingezet waarbij papier aan de rol werd bedrukt en een oplage behaald kon worden van bijna een miljoen afdrukken per dag. Vellenpersen - zogenaamde snelpersen - met een oplage van 2500 afdrukken per uur, waren meer geschikt voor de productie van boeken. En voor klein-formaat drukwerk in kleine oplagen werd in de tweede helft van de negentiende eeuw de zogenaamde degelpers ontwikkeld. Deze werd ingezet voor het drukken van handelsdrukwerk, zoals brieven, pamfletten, visitekaartjes. Het was een eenvoudige, relatief goedkope machine die door één man bediend kon worden en wel 1000 afdrukken per uur bereikte. Degelpersen waren uitgerust met een verticaal drukfundament, waarop de drukvorm was bevestigd en waarbij het papier met de hand op de schuinliggende opengeklapte degel werd gelegd, waarna deze dichtklapte en de druk tot stand kwam. De meest bekende degelpers werd gebouwd door Schnellpressenfabrik AG Heidelberg, de Heidelberger Degel Automaat. Tussen 1927 en 1985 bouwde de Duitse fabriek uit Wurzburg er 175.000 stuks. De omschakeling van het zetten met loden letters naar fotografisch zetten en van hoogdruk naar offsetdruk, betekende vanaf 1960 het begin van het einde van de hoogdruk en de boekdrukpers in de grafische industrie.

boekomslag, omslag, stevige kartonnen bedekking van een boekblok - het binnenwerk van een boek, kan uitgevoerd zijn met linnen bekleding. Het omslag en het boekblok samen vormen het boek. Om Daar omheen kan een zogenaamd stofomslag zijn gewikkeld, deze beschermd het boekomslag.

bold, aanduiding voor vette letters.

bondpapier, hoogwaardig, hard, zeer goed beschrijfbaar, langdurig houdbaar papier, grotendeels vervaardigd uit lompen.

bontpapier, afvalpapier van de drukkerij, restanten, snijafval, misdrukken.

boodschap, de communicatieboodschap, hetgeen een organisatie middels communicatiemiddelen probeert over te brengen op de doelgroep; het verhaal waar het uiteindelijk om draait.

borduren, een duurzame afbeeldingstechniek waarbij teksten en afbeeldingen, zoals logo‘s en emblemen, in maximaal 12 verschillende kleuren op textiel (katoen, polyester, fleece) worden aangebracht door in een patroon van gestikte wollen draden. Borduren wordt toegepast bij sportkleding, werkkleding, restaurantartikelen en relatiegeschenken, zoals poloshirts, petjes, wollen mutsen, handdoeken, servetten en zelfs deurmatten. Afbeeldingen kunnen ook geborduurd worden op badges en voorzien worden van een lijmlaag, zodat ze opstrijkbaar zijn. Borduren is duurzaam, kleurecht, slijtvast, wasbaar en chemisch te reinigen. Het borduren gebeurt met kleurecht, slijtvast en brandvertragend garen. Er zijn zeker 400 kleuren beschikbaar.

boren, afwerking van drukwerk, het aanbrengen van een klein rond gat of gaten in het papier of karton door middel van een boortechniek, bijvoorbeeld voor een ringbandmechaniek.

bordkarton, massief grijs karton, zwaarder dan 600 g/m2, wordt uitgedrukt in dikte (millimeters). Wordt gebruikt voor boekomslagen, ringbanden, verpakkingen.

bovenkast, hiermee worden de hoofdletters (A, B, C) bedoeld, niet de kleine letters (a, b, c). De benaming is afkomstig uit de handzetterij, de plaats van de letters in de letterkast: in de bovenste helft. De onderste helft heet ‘onderkast‘, daarin liggen de kleine letters.

Boxem, Layoutzetterij Boxem, opgericht door Joop Boxem en gevestigd aan het Frederiksplein in Amsterdam, productiebedrijf voor hoge kwaliteits Berthold- en Linotype zetwerk, leverancier aan grote Amsterdamse reclame- en ontwerpbureaus. In 1997 werd Boxem overgenomen door Neroc Groep, prepressbedrijven in Rotterdam en Amsterdam.

breed contacten, een term uit de lithografie waarbij een sluitcontour wordt gecreëerd in een 2-kleurenfilm door een contactfilm te maken van het negatief met een extra film ertussen die zorgt voor verstrooiing - verbreding - van het licht en het beeld dus iets verbreed.

breedlopend papier, papier waarvan de vezel parallel ligt aan de korte zijde. Papier wordt vervaardigd uit vezels en liggen parallel aan de productierichting. Bij langlopend papier ligt de vezel parallel aan de lange zijde. Onder kortlopend papier worden investeringen verstaan met een looptijd tussen 90 dagen en 9 maanden, zoals deposito‘s met een korte looptijd en kortlopende obligaties. Een heel ander vak.

briefing, een kernachtige omschrijving waaraan een communicatieopdracht moet voldoen, met hoofdpunten, achtergrondinformatie, probleemstellingen, aanwijzingen, wensen, voorschriften.

brocheren, het bijeenbrengen van meerdere losse drukvellen tot een boek of brochure, waarvan de band of het omslag uit één geheel bestaat - voorplat, rug en achterplat - en met lijm, garen of een metalen nietje aan het binnenwerk is gehecht.

brocheerband, een omslag of boekband uit één stuk, wordt gebruikt bij brocheren, waarbij de gedrukte katernen middels naaien of lijmen tot een boekblok worden gevormd waaraan de brocheerband wordt gelijmd. De brocheerband wordt gevormd uit het voorplat, de rug en het achterplat dat één geheel vormt, in elkaar over loopt en op tenminste drie posities is gerild om het vouwen soepel te laten verlopen.

brochure, drukwerk dat is samengesteld uit meer dan 4 vier pagina‘s. De drukvellen zijn aan elkaar gehecht met een nietje of garen.

bronseerinkt, metallic inkt voor zeefdruktoepassingen, inkt met een extreem sterke metallic glans. Wordt toegepast op luxe verpakkingen voor bijvoorbeeld cosmetica, sieraden. Leverbaar in zilver en goud.

broodletter, de letter waaruit boeken zijn gezet of de kolommen in kranten (lettergrootte corps 8 tot 14). Dus niet de titels en koppen.

browsen, ‘het bladeren door de pagina‘s van het internet. Ook ‘surfen‘ genoemd.

browser, softwareprogramma om op het internet informatie te zoeken en webpagina‘s te bekijken, zoals voorheen Netscape Navigator, en later FireFox, InternetExplorer, Google Chrome en Safari.

Brunner Systeem, Brunnerstrip, een internationaal erkend systeem voor procescontrole, kleurcontrole, kwaliteitsborging en standaardisatie in de drukkerij, in 1975 ontwikkeld door de Zwitser Felix Brunner, om de controle van kwaliteit en nauwkeurigheid van reproductie en vierkleuren offset drukwerk te verhogen en te borgen. Het systeem bestaat uit een strip - een ongeveer 10 mm brede strook met vlakjes, rasters en tinten van de vier drukkleuren (full color, CMYK) - die onderdeel uitmaakt van het reproductieproces, buiten de afsnee op het drukvel wordt geplaatst en waarmee de drukproef en de uiteindelijke druk met elkaar via meting worden vergeleken. Felix Brunner wordt beschouwd als de grondlegger van de drukwerknormalisatie. Als pionier van standaardisatie heeft hij met System Brunner de reproductie en het drukproces in de grafische industrie naar een beheersbaar en controleerbaar niveau gebracht. Het systeem heette aanvankelijk Eurostandard, later Globalstandard, en is sinds de introductie permanent uitgebreid en aangepast aan de technologische ontwikkelingen in alle processtappen en vandaag de dag nog steeds de meest uitgebreide referentie in drukwerkstandaardisering. Alleen al in het drukproces controleert en beheert Globalstandard meer dan 30 variabelen die de kleur van reproductie tot gedrukte beeld beïnvloeden.

buitenreclame, een advertentiemedium in de publieke ruimte waarmee afhankelijk van de locatie grotere groepen mensen bereikt worden. Dat kan met verlichte affiches in bushokjes - zogenaamde abri‘s, met vrijstaande reclamepanelen - mupi‘s, met billboards, reclamezuilen, bestickerde trams en digitale reclameborden.

business-to-business communicatie (B-to-B), alle communicatievormen tussen handels- en/of industriële sector en toeleveranciers en/of afnemers.

busschroeven, boekschroeven, metalen of kunststof schroeven en bussen om waaiers, stalenboeken, monsters, kleurkaarten of brochures te bundelen. Busschroeven zijn later eenvoudig te verwijderen, zodat de inhoud kan worden aangepast. Er zijn ook schroeven met een gat in de lengte van de bus, voor het aanbrengen van een ophangkoord of kogelketting.

HSTotaal woordenlijst

Grafische, creatieve en communicatie-begrippen

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

B

backbone, de hoofdverbinding van het internet, letterlijk de ruggengraat.

bagetteren, het ter versteviging aanbrengen van plastic of metalen strips aan de boven- en onderzijde van een poster. Als de baget aan de bovenzijde is voorzien van een uitsparing of lipje kan de poster daaraan worden opgehangen.

bakfris, overnight-inkt, drukinkt die niet uit de inktbak van de drukpers hoeft te worden gehaald om te voorkomen dat deze ‘s nachts in de bak aandroogt, maar een nachtje kan blijven staan zodat de drukklus de volgende ochtend direct opgestart kan worden. De inktrollen van de drukpers dienen wel schoongemaakt te worden.

bankpost, hard, houtvrij en duurzaam papier, veel gebruikt voor briefpapier, ook met de hand uitstekend beschrijfbaar.

basiselementen, de belangrijkste kenmerken van een grafische huisstijl, zoals het vignet, het kleurprogramma en letterkeuze. De toepassingen - zoals visitekaartjes, gevelbelettering en bedrijfskleding - worden hier niet mee bedoeld.

basisstramien, stramien, een patroon van horizontale en verticale lijnen die de posities van typografie en beeld bepaalt en waarop vormgeving voor drukwerk plaatsvindt, met name boek- of tijdschriftpagina‘s - omvangrijke drukwerkproducties met veel regelmatig terugkerende vormgevingselementen. Ondernemingen en organisaties maken graag gebruik van stramienen bij de vormgeving van uiteenlopende publicaties. Op het basisstramien kunnen de layouts voor alle uitingen met hetzelfde eindformaat worden vormgegeven. Elk formaat kent een specifiek stramien. Het stramien is een belangrijk hulpmiddel in het ordeningsproces van vormgeving om veel en regelmatig voorkomende elementen vaste posities te geven en daardoor ordening, rust, toegankelijkheid en herkenning, en een vlotte en efficiënte werkwijze te bevorderen bij de totstandkoming van communicatiemiddelen. Voordat gestart kan worden met de specifieke paginalayout met het stramien worden ontworpen. Bij het ontwerpen van het stramien moet rekening worden gehouden dat meerdere pagina-indelingen mogelijk moeten zijn waardoor de publicatie verrassend en levendig blijft. Uiteraard is dat afhankelijk van de toepassing van het communicatiemiddel (een wervingsbrochure heeft een heel andere vormgevingsdynamiek dan een postzegelcatalogus).

bandbreedte, de capaciteit of verzendsnelheid van een netwerk- of internetverbinding; hoeveel data per seconde verstuurd kan worden.

banner, uiting van webvertising, een meestal rechthoekige afbeelding met een reclameboodschap. De banner kent meerdere verschijningen, zoals videobanner, halfbanner, fullbanner, large rectangle, skyscraper, leaderboard, button en floater.

barietpapier, papier met een zeer gesloten oppervlak - voorzien van een laagje bariumsulfaat - waarop een zogenaamde ‘scherpe afdruk‘ wordt gemaakt van hoogdruk loodzetsel, die vervolgens wordt gereproduceerd op negatieffilm als halffabrikaat voor de lithografie. Het is een techniek die vanaf 1960 als overgang functioneerde tussen loodzetsel (hoogdruk) en fotografisch zetten (vlakdruk, offset).

BBC, Blind Carbon Copy, ofwel blinde kopie van een mailbericht. Ontvangers van een bbc zien een kopie van het mailbericht, maar de geadresseerde weet dit niet.

beeldmerk, de naam van een organisatie of bedrijf - zelfs een product of dienst - die is vormgegeven in uitsluitend een beeldende vorm, en niet in letters. In tegenstelling tot een woordmerk of logo waarbij de naam van de organisatie in leesbare tekst is vormgegeven. Voorbeelden van beeldmerken zijn de panda van het Wereld Natuur Fonds en de appel van Apple.

beeldplaat, een vinding van Philips uit 1974, een opslagmedium voor beeld en geluid, wordt met een laserstraal op een kunststof schijf ter grootte van een LP aangebracht en afgespeeld. Tot 1988 in productie.

bebording, visueel hulpmiddel bij bewegwijzering om de weg te vinden, te navigeren, inclusief hulpmiddelen (pictogrammen, pijlen, kleuren).

Beek, Van Beek Design Supplies, Van Beek Arts Supplies, Van Beek Digital Images, sinds 1895 leverancier van een uitgebreid assortiment materialen en gereedschappen voor grafisch ontwerpers, werktekenaars, fotografen, reclamemakers en kunstenaars, met ontwerpmaterialen, tekenmaterialen en tekengereedschap, papier, spuitbussen met verf en lijm, kantoorartikelen, DTP supplies, presentatiematerialen en lijsten, schildersdoeken, penselen en olie- en acrylverf. In de 70-er en 80-er jaren hofleverancier van de grote Amsterdamse reclame- en ontwerpbureaus van onder andere Pantone-markers, markerbloks en Letraset- en Mecanorma afwrijfletters. De laatste jaren levert Van Beek ook royalty free images, computersupplies, printers en elektronica.

beeldcorrectie, aanpassingen in de voorstelling - bijvoorbeeld het verwijderen, verplaatsen, vergroten, verkleinen, spiegelen van delen uit het beeld, van een foto, een reproductie, een drukvorm of een digitaal bestand, ter correctie van tekortkomingen tijdens de fotografie, het reproductieproces op de camera of in de scanner.

beeldschermopmaak, een computergestuurde techniek voor het compleet samenstellen van pagina‘s uit tekst en beeld, voor kranten, tijdschriften en brochures.

beginkapitaal, de eerste letter van een woord of zin is een hoofdletter, de rest een kleine letter (onderkast).

beletselteken, leesteken ... dat aangeeft dat een woord is weggelaten of dat de beschrijving van een gedachte niet wordt voltooid en dat de lezer in de gelegenheid is het ontbrekende zelf aan te vullen.

below the line, direct marketingactiviteiten, zoals geadresseerde brievenmailings en e-mailings met een specifieke boodschap gericht op een specifieke doelgroep en met een specifiek korte termijn doel. Naast below the line kennen we above the line, marketingactiviteiten met een niet-specifiek doel, zoals massacommunicatie.

berekeningsmethode, een methode die is bedoeld om bij boektypografie tot een Gulden Snede te komen waarbij de grootte en de verhouding van de zetspiegel, en de positie van de zetspiegel op de bladspiegel in een harmonische verhouding is gebracht. Daarbij wordt uitgegaan van een bladformaat met een verhouding 3 : 5 of 5 : 8. De verhouding van paginahoogte en -breedte wordt met een enkele diagonaal vastgesteld. Vervolgens wordt het overblijvende wit in de breedte verdeeld in de verhouding 3 (rug) : 5 (snijwit) en in de hoogte als 5 (kopwit) : 8 (staartwit). Naast deze methode zijn er nog twee methodes: de diagonaalmethode en de methode Van de Graaf.

bewegwijzering, visuele hulpmiddelen om de weg te vinden, bebording inclusief hulpmiddelen (pictogrammen, pijlen, kleuren) voor geleiding van bezoekersstromen in en buiten gebouwen, op de weg.

bewijsnummer, bewijsexemplaar, een exemplaar van het medium (krant, tijdschrift, vakblad) waarin een advertentie is geplaatst en bedoeld als bewijs naar de opdrachtgever.

biegen, een handeling in de boekbinderij, het rondzetten van de boekband, voordat het boekblok erin wordt gezet.

bijbeldruk, zeer dun, houtvrij , ondoorzichtig en sterk papier, maximaal 40 gram per m2, dundrukpapier voor bijbels, vanwege het grote aantal pagina‘s en de compacte omvang.

biljetletter, zeer grote houten hoogdrukletter die wordt gebruikt voor het zetten van teksten voor affiches.

billboard, een vorm van buitenreclame, een standaard reclamebord van 2,5 x 3,5 meter, zo‘n 8 m2, worden geplaatst langs doorgaande wegen, drukke verkeersaders, bij op- en afritten en kantoorparken.

binden, strikt genomen het met garen aan elkaar hechten van meerdere losse drukvellen tot bijvoorbeeld een boek of brochure.

binderij, productieplaats in de grafische industrie, een locatie waar plano vellen drukwerk tot een eindproduct worden afgewerkt - zoals boeken en brochures, door o.a. op maat snijden, vouwen, brocheren, frezen, nieten en naaien, en in de band lijmen.

binnenwerk, hiermee wordt niet het omslag, maar de binnenpagina‘s bedoeld van een krant, brochure of boek.

bit, ‘binary digit‘, een digitale eenheid met de waarde nul of één. Het meervoud is ‘bits‘. Duizend bits vormen een kB. Duizend kB is een Megabite (mB). Met bits wordt bijvoorbeeld de omvang van digitale foto‘s en de opslag op computers aangeduid.

bitmap, kleine eenheden (punten) waaruit zwart/wit- of kleurenafbeelding is opgebouwd.

black, K (key), de kleur zwart van drukinkt in het drukproces van vierkleurendrukwerk (full color, FC, CMYK). Naast zwart zijn er drie andere kleuren bij vierkleurendruk: cyaan (blauw), magenta (rood) en yellow (geel). Zwart wordt key genoemd (K) vanwege de sleutelrol van zwart in de doortekening van de afbeelding; zonder zwart ontbreekt het aan details en zeggingskracht.

blacklight inkt, ultraviolette straling, zeefdrukinkt waarvan de afdruk oplicht onder een blacklight lamp, wordt toegepast op T-shirts en tickets, maar ook voor beveiligingsdoeleinden op waardepapieren, parkeerkaarten, loten, entreebewijzen.

blad, een vel papier met twee zijden, twee pagina‘s, één aan de voorzijde van het blad - pagina 1, een aan de achterzijde - pagina 2.

bladspiegel, het beeld - de spiegel - van het blad, de plaats die het drukwerk inneemt op het eindformaat. Het beeld wordt bepaald door de grootte en verhouding van het eindformaat, de grootte en positie van de zetspiegel, de grootte en verhouding van de marges en de wijze waarop de witmarges worden gebruikt bij aflopend drukwerk.

blinddruk, blindpreeg, preegdruk, prägen, drukken zonder inkt maar met een hoogdrukvorm (stempel) die grote kracht op het papier uitoefent en een opliggend of diepliggend effect geeft. Een stempelvorm die aan de voorzijde van het papier geperst wordt is een diep reliëf, debossing. Bij het gebruik van twee stempels - een negatieve (patrijs) aan de voorzijde en positieve contravorm (matrijs) aan de achterzijde van het papier - ontstaat een opliggend effect, een hoog reliëf, embossing.

blindlopen, een ongewenst verschijnsel op de offsetpers, het geleidelijk verminderen van de zichtbare afdruk tijdens het drukken, doordat de drukkende delen op de offsetplaat vochtgevoelig zijn geworden en geen inkt meer aannemen. Een ander verschijnsel is kaallopen, waarbij de drukkende delen van een offsetplaat zijn afgesleten en geen inkt meer aannemen.

blindstempel, metalen negatieve stempelvorm waarmee een blinddruk (preegdruk) wordt aangebracht.

blisteren, een ongewenst technisch verschijnsel in de drukkerij, het ontstaan van warmteblaren aan beide zijden van het papier vanwege een te hoge temperatuur, te lage perssnelheid of verkeerde inkten, veroorzaakt door opgesloten vocht dat verdampt als het papier door de droogsectie van een rotatiepers wordt gevoerd.

blokboek, de eerste vorm van het gedrukte boek (15e eeuw), waarbij beeld en tekst als één geheel uit een houten blok worden gesneden, enkelzijdig gedrukt op papier dat daarna ruggelings tegen een ander gedrukt blad wordt geplakt. Al in de 7e en 8e eeuw werden in China en Korea karakters gedrukt, maar wellicht is de techniek nog veel ouder, mogelijk al tweeduizend jaar. Het blokboek is de voorloper van een veel kostbaarder techniek, het drukken met losse letters. Pas aan het einde van de 14e eeuw - 1390 - komt de blokdruk naar Europa en worden op eenvoudige wijze speelkaarten en prenten gedrukt. Spoedig daarna in Brugge, Brussel, Haarlem en Utrecht, de eerste prenten in 1418, de eerste blokboeken in 1430. Al voor 1450 wordt het drukken met losse letters uitgevonden en wordt de blokdruk alleen nog gebruikt voor het drukken van afbeeldingen. Aan het einde van de 15e eeuw verdwijnt de blokdruk en is het drukken met losse metalen letters breed geïntroduceerd.

blokvorm, tekstkolommen waarvan de voor- en achterzijden een rechte kantlijn hebben. Het restwit aan het einde van de regel wordt weggewerkt door het woordwit te vergroten totdat de regel de gewenste breedte heeft. Het woordwit krijgt hierdoor in de verschillende regels een wisselende breedte, dat bij smalle kolommen een onrustig, storend effect heeft op de leesbaarheid.

BNO, Beroepsvereniging van Nederlandse Ontwerpers. De BNO (tot 1988: GVN) is in 1996 ontstaan uit een samenvoeging van bNO (beroepsvereniging Nederlandse Ontwerpers), Kring Industrieel Ontwerpers (KIO), de vereniging van industrieel ontwerpbureaus (KIO-branche), de vereniging van Edelsmeden en Sieraadontwerpers (VES) en de Nederlandse Illustratoren Club (NIC).

boek, een boekblok - een hoeveelheid pagina‘s met tekst en/of beeld - dat is samengesteld uit een aantal katernen, dat wordt omsloten door een harde of slappe band - hardcover of paperback.

boekblok, het binnenwerk van een boek, de gevouwen, vergaarde, genaaide en schoongesneden vellen van een boek, zonder omslag.

boekdecoratie, machinale maar ook handmatig uitgevoerde bewerkingen en aangebrachte versieringen in de boekbinderij van de boekband en het boekblok, waaronder: snedenversiering, snedevergulden (goud op snee), snedeverven, snedemarmering, ciselering, kapitaalbandjes, leeslinten, klaviertjes (een soort bladwijzers), versierde en gemarmerde dek- en schutbladen, het beplakken met leer- en linnensoorten, sluitwerk en beslag, drukkersmerken, initialen, lettertypen, watermerken en illustraties.

boekdruk, boekdruksysteem, hoogdruk, hoogdrukprocedé, waarbij de drukkende delen verhoogd liggen en de niet-drukkende delen lager liggen en de inkt, aangebracht op de verhoogde delen, met grote kracht op papier wordt gedrukt zodat de inkt daarop achterblijft. Hoogdruk is herkenbaar aan de grote kracht die de drukvorm heeft uitgeoefend op het papier en die aan de achterzijde als doordruk - zogenaamde moet - zichtbaar kan zijn. Ook is de uitgeoefende kracht zichtbaar aan de drukletter; de inkt is als het ware naar de rand van de letter weggedrukt - een zogenaamde kraalrand is zichtbaar. De omschakeling van het zetten met loden letters naar fotografisch zetten en van hoogdruk naar offsetdruk, betekende vanaf 1960 het begin van het einde van de hoogdruk in de grafische industrie. Hoogdruk is tot de komst van vlakdruk - offset - zo rond 1960, de druktechniek waarin vrijwel al het drukwerk in grote oplagen werd vervaardigd. Vooral ook boeken. Hoogdruk wordt daarom vaak boekdruk genoemd, terwijl het drukken van boeken één van de toepassingen is bij hoogdruk en niet een synoniem.

boekdrukker, een grafische werker in een boekdrukkerij die met een boekdrukpers afdrukken maak van hoogdrukzetsel. In tegenstelling tot een offsetdrukker, die papier bedrukt met een offsetplaat op een offsetpers.

boekdrukkerij, is een drukkerij waar men boeken drukt, of een drukkerij waar men werkt volgens het  boekdruksysteem (hoogdruk).

boekdrukkunst, de kunst van het vermenigvuldigen van teksten op mechanische wijze, het tot stand brengen van het gedrukte boek. Al in de 7e en 8e eeuw werden in China en Korea boeken gedrukt waarbij tekst en afbeeldingen uit één blok werden gesneden. Het oudst gedrukte boek op papier is de Diamantsutra, gedrukt in 868 na Christus in China. Drie eeuwen later ontwikkelden de Chinezen een systeem met losse letters, aanvankelijk van aardewerk, later van hout, daarna van tin. Het boekblok is in feite een houtsnede, een vorm van hoogdruktechniek, waarbij met een beitel van een blok hout de delen worden weggesneden die niet gedrukt worden. Hierna wordt het blok ingeïnkt en met de hand of op een pers afgedrukt. Het is een techniek die door de kruisvaarders vanuit het Oosten is meegenomen naar Europa. Aangenomen wordt dat het drukken met losse letters in 1439 is uitgevonden door de Duitse edelsmid Johannes Gensfleisch zum Gutenberg. Hoewel het idee bestaat dat de uitvinding een geleidelijk proces is geweest dat in meerdere steden in Europa plaatsvond, maar dat Gutenberg als eerste allerlei bestaande technieken combineerde tot een nieuw drukproces; het begin van een mediarevolutie. Gutenberg is strikt genomen dus niet de uitvinder van de boekdrukkunst, maar van een techniek om een drukvorm uit losse letters samen te stellen die na het drukken uiteen wordt genomen om de losse letters opnieuw te gebruiken voor een volgende drukopdracht. Als uitvinder wordt ook de Haarlemmer Lourens Janszoon Coster genoemd, maar het laatste restant van bewijs is een onnauwkeurig overgeleverd gerucht waarbij Gutenberg als knecht zou hebben gewerkt bij Coster en de door Coster uitgevonden primitieve techniek van lettergieten naar Duitsland zou hebben meegenomen, in feite gestolen. Om de betekenis van Coster nog wat aan te versterken heeft men lange tijd een aantal ongedateerde en niet gelokaliseerde drukken aan Coster toegerekend, de oudste drukken uit de toenmalige Nederlanden die met losse letters zijn gedrukt. Ze dateren uit de periode 1466-1479. De Middelnederlandse Spieghel Der Menscheliker Behoudenesse en een aantal schoolboekjes is in deze periode gedrukt. Het staat inmiddels wel vast dat deze vroege drukken - incunabelen of wiegendrukken - niet zijn vervaardigd door de Haarlemse Laurens Janszoon Coster, maar komen uit de werkplaatsen van onder anderen Nicolaus Ketelaer en Gherardus de Leempt in Utrecht in 1473. De Costeriana - zoals deze vroege drukken aanvankelijk werden genoemd - maakten na een langdurige discussie over de wetenschappelijke houdbaarheid van Coster als uitvinder van de boekdrukkunst, lange tijd onderdeel uit van de vurige wens naar nationale eenheid en trots om na het verlies van België en de economische crisis erna het zelfvertrouwen van de Nederlanden te versterken met grote herdenkingen van nationale helden en geleerden en verrezen er standbeelden en gedenktekens met feesten er omheen. Zo ging men midden 19e eeuw ook om met de Haarlemse uitvinder van de boekdrukkunst die had laten zien waar een klein land groot in kon zijn. Begin 20e eeuw deed Charles Enschedé, directeur van de lettergieterij van Johan Enschedé & Zonen uit Haarlem, onderzoek naar de lettergiettechniek van Coster, voor zover die uit de Costeriana viel af te leiden. Het onderzoek bracht Coster niet dichterbij zijn heldendaad omdat er al te veel wetenschappelijke argumenten tegen Coster waren. De Duitser Zedler reageerde in 1921 op het onderzoek van Enschedé met het betoog dat Coster loden letters zou hebben gegoten door houten stempels in hard zand te drukken en deze als matrijzen te gebruiken, overeenkomstig de legende waarbij Coster in de Haarlemmerhout een stukje beukenschors in de vorm van een letter sneed dat op de grond liet vallen waarbij een afdruk in het zand achterbleef. Vervolgens zou Gutenberg deze primitieve techniek hebben meegenomen naar Duitsland. Gutenberg was opgeleid als edelsmid en experimenteerde al voor 1439 met het drukken van boeken. Met zijn kennis van metaalbewerking combineerde hij enkele bestaande technieken zodat hij staalstempels maakte om  kopermatrijzen te slaan, gietvormen ontwikkelde, een goede loodlegering vond en een rek (zethaak) om regels te kunnen zetten waarmee een drukvorm werd samengesteld. De uitvinding was een enorme sprong voorwaarts: een flinke kwaliteitsverbetering, verlaging van de kosten, versnelling aan de productie en de ruimere verspreiding van informatie. Mogelijk in 1445 drukt Gutenberg zijn eerste boeken, maar daar is geen bewijs van, geen stukken met zijn naam erop, of drukwerken zonder jaartal. Zijn topstuk was de zogenaamde 42-regelige Gutenbergbijbel, die uit 643 bladen bestond en gedrukt is in een oplage van 200 stuks op perkament en in 1455 gereed is gekomen. Het drukken was in die tijd een extreem arbeidsintensief werk. Papier werd met de hand geschept, vel voor vel. Letters werden met de hand gegoten, door ze eerst als patrijs in ijzer te snijden, in koper tot matrijs te slaan en in lood tot letter te gieten. Inkt werd dagelijks aangemaakt in een beperkte hoeveelheid. Boeken werden vel voor vel gedrukt op een houten handpers en naderhand met de hand voorzien van initialen en illustraties. Gutenberg gebruikte als eerste een drukpers die uit een wijnpers was ontwikkeld - een principe dat ook werd gebruikt bij de papierproductie - en drukte met oliehoudende drukinkt. De productie van drukwerk en daarmee de verspreiding van informatie ontwikkelde zich in Europa dankzij deze uitvindingen explosief. Rond 1500 hebben veel grote steden in Europa wel een of meerdere drukkerijen. De boekdrukkunst wordt gezien als mogelijk de meest ingrijpende uitvinding in onze geschiedenis.

boekdrukpers, een productiemachine - aanvankelijk een handbediend houten werktuig - voor het vervaardigen van afdrukken van hoogdrukvormen, waarbij drukinkt, aangebracht op de verhoogde delen van een drukvorm, met kracht op papier wordt gedrukt waardoor de inkt daarop achterblijft. De eerste boekdrukpers werd ontwikkeld door Johannes Gutenberg, de uitvinder van de losse lettertechniek - de boekdrukkunst. Gutenberg was geniaal in het combineren van reeds bestaande technieken tot nieuwe productieprocessen. Zo was het gieten van letters niet geheel nieuw; klokkengieterijen voorzagen hun gietstukken vaak al van korte teksten - losse letters die in regels op het gietwerk werden aangebracht. Ook boekbinders verfraaiden hun boekbanden met teksten die er met metalen stempels werden ingedrukt. Gutenberg experimenteerde ook met op olie gebaseerde inkt om die geschikt te maken voor het hoogdrukprocedé. De Gutenberg-pers die hij ontwikkelde was gebaseerd op het principe van een wijnpers, vergelijkbaar met de pers die werd ingezet bij de productie van papier om het water uit de pasgeschepte vellen te persen, een techniek die al ruim een eeuw bekend was. Het model bestond uit een horizontale inrichting (slede met kar) waarop de drukvorm werd geplaatst en twee zware verticale stijlen aan weerszijden van de slede die aan de bovenzijde bijeen werden gehouden door een ijzeren juk, het galgewerk. Tussen de stijlen bevond zich een verticaal spilmechanisme met draaischroef waaraan een horizontale drukboom (spindel) was bevestigd die met een draai de degel - een vlakke drukplaat - aan de onderzijde van de spil, verticaal naar beneden bracht en grote druk uitoefende op de drukvorm. Deze hoogdrukvorm werd door de drukker middels met leer beklede drukballen - tampons - van inkt voorzien, waarop een vel papier werd geplaatst dat in een opklapbaar raam op zijn plaats werd gehouden. Vijftig jaar nadat Gutenberg de losse lettertechniek en de boekdrukkunst had uitgevonden, stonden dergelijke drukpersen in meer dan honderd Europese steden. Zo had de drukkerij van Christoffel Plantijn in Antwerpen zestien drukpersen staan waaraan 55 ambachtslieden werkten; een van de grootste boekdrukkerijen van Europa. Tussen 1500 en 1800 is deze techniek onveranderd gebleven; de techniek van de boekdrukpers van Gutenberg heeft zich kunnen handhaven en heeft geen grote veranderingen ondergaan; het principe, de snelheid en het formaat van het drukoppervlak is in die drie eeuwen vrijwel gelijk gebleven. Onder anderen de Amsterdamse timmerman Arend Smit bouwde met veel vakmanschap in de eerste helft van de achttiende eeuw stabiele boekdrukpersen volgens dit nogal gecompliceerde principe. Het was pas rond 1800 dat Charles Lord Stanhope - een Engels graaf en wetenschapper - het houten principe van de Gutenbergpers verliet en een geheel uit ijzer opgetrokken drukpers ontwierp, een ijzeren constructie van hefbomen en contragewichten waarmee de drukkracht en stabiliteit enorm toenam. De Stanhope-pers was nog steeds gebouwd volgens het principe van de degelpers van Gutenberg - een horizontaal fundament met drukvorm en een verticale drukbeweging - maar kon in één keer een veel groter formaat bedrukken in een grotere oplage: maximaal 250 afdrukken per uur. Vanaf 1820 is de Stanhope-pers op grote schaal geproduceerd, maar het waren de opvolgers van de Stanhope-pers die afscheid namen van de degel. De Duitse drukker Frederick Koenig en werktuigkundige Andreas Bauer wijzigden het principe op twee punten fundamenteel en ontwikkelden in 1811 een zogenaamde snelpers. Zij gebruikten stoomkracht voor het besturen van de machine en vervingen het vlakke drukfundament - de degel - door de rotatiebeweging van cilinders. Al het handwerk aan het drukproces werd met deze machine gemechaniseerd, op het inleggen en het uitnemen van de drukvellen na. Toch lag de productie van deze pers op de ongekende snelheid van 800 afdrukken per uur. Op basis van dit succes betrok de krant The London Times in 1814 van Koenig & Bauer een op stoom aangedreven snelpers met twee ronddraaiende drukcilinders, goed voor 1100 afdrukken schoon- en weerdruk per uur! Op basis van deze innovatie ontwikkelde de Engelse ingenieurs Applegath en Cowper, ook voor The Times, een snelpers met vier drukcilinders die 4200 afdrukken per uur kon maken en 20 jaar later, in 1848, werd de krant gedrukt op een pers met acht drukcilinders. Verdere uitbreiding van het aantal cilinders was praktisch vrijwel onuitvoerbaar vanwege de grote heen-en-weer bewegende vormfundamenten. Al in 1790 patenteerde de Engelsman William Nicholson een ontwerp van een pers met zowel druk- als vormcilinders, maar hij had geen oplossing voor het rondzetten van de vlakke drukvormen. Uiteindelijk bracht de door Firmin Didot en Charles Stanhope bedacht stereotype een oplossing: van vlakke drukvormen werden matrijzen gemaakt die werden rondgezet en gegoten en tegen een cilinder geplaatst. Aanvankelijk werden stereotypen gemaakt in zand, later in gips om tegen de tweede helft van de 19e eeuw de definitieve oplossing te vinden in taai en buigzaam karton. Het drukken met vlakke hoogdrukvormen die waren opgebouwd uit losse elementen was niet meer nodig; op de nieuwe cilinderpersen was er voor elk te drukken krantenpagina een loden stereotype die om de vormcilinder werd gemonteerd. De eerste vellen-rotatiepers werd in 1846 in Amerika gebouwd, maar al vanaf 1870 kwamen in Europa rotatiepersen op de markt waarmee papier op rollen papier werd bedrukt die pas na het drukken in vellen werden gesneden. De productiesnelheid werd hiermee enorm opgevoerd; de bij The Times geplaatste rotatiepersen bedrukten 12.000 krantenpagina‘s schoon- en weerdruk per uur. Vanaf dat moment vond de ontwikkeling van drukpersen plaats langs drie lijnen. Voor het drukken van kranten en tijdschriften werd de rotatiepers ingezet waarbij papier aan de rol werd bedrukt en een oplage behaald kon worden van bijna een miljoen afdrukken per dag. Vellenpersen - zogenaamde snelpersen - met een oplage van 2500 afdrukken per uur, waren meer geschikt voor de productie van boeken. En voor klein-formaat drukwerk in kleine oplagen werd in de tweede helft van de negentiende eeuw de zogenaamde degelpers ontwikkeld. Deze werd ingezet voor het drukken van handelsdrukwerk, zoals brieven, pamfletten, visitekaartjes. Het was een eenvoudige, relatief goedkope machine die door één man bediend kon worden en wel 1000 afdrukken per uur bereikte. Degelpersen waren uitgerust met een verticaal drukfundament, waarop de drukvorm was bevestigd en waarbij het papier met de hand op de schuinliggende opengeklapte degel werd gelegd, waarna deze dichtklapte en de druk tot stand kwam. De meest bekende degelpers werd gebouwd door Schnellpressenfabrik AG Heidelberg, de Heidelberger Degel Automaat. Tussen 1927 en 1985 bouwde de Duitse fabriek uit Wurzburg er 175.000 stuks. De omschakeling van het zetten met loden letters naar fotografisch zetten en van hoogdruk naar offsetdruk, betekende vanaf 1960 het begin van het einde van de hoogdruk en de boekdrukpers in de grafische industrie.

boekomslag, omslag, stevige kartonnen bedekking van een boekblok - het binnenwerk van een boek, kan uitgevoerd zijn met linnen bekleding. Het omslag en het boekblok samen vormen het boek. Om Daar omheen kan een zogenaamd stofomslag zijn gewikkeld, deze beschermd het boekomslag.

bold, aanduiding voor vette letters.

bondpapier, hoogwaardig, hard, zeer goed beschrijfbaar, langdurig houdbaar papier, grotendeels vervaardigd uit lompen.

bontpapier, afvalpapier van de drukkerij, restanten, snijafval, misdrukken.

boodschap, de communicatieboodschap, hetgeen een organisatie middels communicatiemiddelen probeert over te brengen op de doelgroep; het verhaal waar het uiteindelijk om draait.

borduren, een duurzame afbeeldingstechniek waarbij teksten en afbeeldingen, zoals logo‘s en emblemen, in maximaal 12 verschillende kleuren op textiel (katoen, polyester, fleece) worden aangebracht door in een patroon van gestikte wollen draden. Borduren wordt toegepast bij sportkleding, werkkleding, restaurantartikelen en relatiegeschenken, zoals poloshirts, petjes, wollen mutsen, handdoeken, servetten en zelfs deurmatten. Afbeeldingen kunnen ook geborduurd worden op badges en voorzien worden van een lijmlaag, zodat ze opstrijkbaar zijn. Borduren is duurzaam, kleurecht, slijtvast, wasbaar en chemisch te reinigen. Het borduren gebeurt met kleurecht, slijtvast en brandvertragend garen. Er zijn zeker 400 kleuren beschikbaar.

boren, afwerking van drukwerk, het aanbrengen van een klein rond gat of gaten in het papier of karton door middel van een boortechniek, bijvoorbeeld voor een ringbandmechaniek.

bordkarton, massief grijs karton, zwaarder dan 600 g/m2, wordt uitgedrukt in dikte (millimeters). Wordt gebruikt voor boekomslagen, ringbanden, verpakkingen.

bovenkast, hiermee worden de hoofdletters (A, B, C) bedoeld, niet de kleine letters (a, b, c). De benaming is afkomstig uit de handzetterij, de plaats van de letters in de letterkast: in de bovenste helft. De onderste helft heet ‘onderkast‘, daarin liggen de kleine letters.

Boxem, Layoutzetterij Boxem, opgericht door Joop Boxem en gevestigd aan het Frederiksplein in Amsterdam, productiebedrijf voor hoge kwaliteits Berthold- en Linotype zetwerk, leverancier aan grote Amsterdamse reclame- en ontwerpbureaus. In 1997 werd Boxem overgenomen door Neroc Groep, prepressbedrijven in Rotterdam en Amsterdam.

breed contacten, een term uit de lithografie waarbij een sluitcontour wordt gecreëerd in een 2-kleurenfilm door een contactfilm te maken van het negatief met een extra film ertussen die zorgt voor verstrooiing - verbreding - van het licht en het beeld dus iets verbreed.

breedlopend papier, papier waarvan de vezel parallel ligt aan de korte zijde. Papier wordt vervaardigd uit vezels en liggen parallel aan de productierichting. Bij langlopend papier ligt de vezel parallel aan de lange zijde. Onder kortlopend papier worden investeringen verstaan met een looptijd tussen 90 dagen en 9 maanden, zoals deposito‘s met een korte looptijd en kortlopende obligaties. Een heel ander vak.

briefing, een kernachtige omschrijving waaraan een communicatieopdracht moet voldoen, met hoofdpunten, achtergrondinformatie, probleemstellingen, aanwijzingen, wensen, voorschriften.

brocheren, het bijeenbrengen van meerdere losse drukvellen tot een boek of brochure, waarvan de band of het omslag uit één geheel bestaat - voorplat, rug en achterplat - en met lijm, garen of een metalen nietje aan het binnenwerk is gehecht.

brocheerband, een omslag of boekband uit één stuk, wordt gebruikt bij brocheren, waarbij de gedrukte katernen middels naaien of lijmen tot een boekblok worden gevormd waaraan de brocheerband wordt gelijmd. De brocheerband wordt gevormd uit het voorplat, de rug en het achterplat dat één geheel vormt, in elkaar over loopt en op tenminste drie posities is gerild om het vouwen soepel te laten verlopen.

brochure, drukwerk dat is samengesteld uit meer dan 4 vier pagina‘s. De drukvellen zijn aan elkaar gehecht met een nietje of garen.

bronseerinkt, metallic inkt voor zeefdruktoepassingen, inkt met een extreem sterke metallic glans. Wordt toegepast op luxe verpakkingen voor bijvoorbeeld cosmetica, sieraden. Leverbaar in zilver en goud.

broodletter, de letter waaruit boeken zijn gezet of de kolommen in kranten (lettergrootte corps 8 tot 14). Dus niet de titels en koppen.

browsen, ‘het bladeren door de pagina‘s van het internet. Ook ‘surfen‘ genoemd.

browser, softwareprogramma om op het internet informatie te zoeken en webpagina‘s te bekijken, zoals voorheen Netscape Navigator, en later FireFox, InternetExplorer, Google Chrome en Safari.

Brunner Systeem, Brunnerstrip, een internationaal erkend systeem voor procescontrole, kleurcontrole, kwaliteitsborging en standaardisatie in de drukkerij, in 1975 ontwikkeld door de Zwitser Felix Brunner, om de controle van kwaliteit en nauwkeurigheid van reproductie en vierkleuren offset drukwerk te verhogen en te borgen. Het systeem bestaat uit een strip - een ongeveer 10 mm brede strook met vlakjes, rasters en tinten van de vier drukkleuren (full color, CMYK) - die onderdeel uitmaakt van het reproductieproces, buiten de afsnee op het drukvel wordt geplaatst en waarmee de drukproef en de uiteindelijke druk met elkaar via meting worden vergeleken. Felix Brunner wordt beschouwd als de grondlegger van de drukwerknormalisatie. Als pionier van standaardisatie heeft hij met System Brunner de reproductie en het drukproces in de grafische industrie naar een beheersbaar en controleerbaar niveau gebracht. Het systeem heette aanvankelijk Eurostandard, later Globalstandard, en is sinds de introductie permanent uitgebreid en aangepast aan de technologische ontwikkelingen in alle processtappen en vandaag de dag nog steeds de meest uitgebreide referentie in drukwerkstandaardisering. Alleen al in het drukproces controleert en beheert Globalstandard meer dan 30 variabelen die de kleur van reproductie tot gedrukte beeld beïnvloeden.

buitenreclame, een advertentiemedium in de publieke ruimte waarmee afhankelijk van de locatie grotere groepen mensen bereikt worden. Dat kan met verlichte affiches in bushokjes - zogenaamde abri‘s, met vrijstaande reclamepanelen - mupi‘s, met billboards, reclamezuilen, bestickerde trams en digitale reclameborden.

business-to-business communicatie (B-to-B), alle communicatievormen tussen handels- en/of industriële sector en toeleveranciers en/of afnemers.

busschroeven, boekschroeven, metalen of kunststof schroeven en bussen om waaiers, stalenboeken, monsters, kleurkaarten of brochures te bundelen. Busschroeven zijn later eenvoudig te verwijderen, zodat de inhoud kan worden aangepast. Er zijn ook schroeven met een gat in de lengte van de bus, voor het aanbrengen van een ophangkoord of kogelketting.

Geen antwoord gevonden? Bel dan met HSTotaal, Joost Klinkenberg of Bart Landman: 023-534 45 00. Of stuur een bericht aan: mail@hstotaal.nl.

Geen antwoord op uw vraag gevonden? Mail dan naar: mail@hstotaal.nl.